Het thema is dit jaar Ridders en Prinsessen!

Wat deden de ridders?

Ridders waren er vooral om oorlog te voeren. Ze voerde ook oorlog in de omgeving van Jeruzalem. De paus stuurde ridders om dit gebied te veroveren. Ridders moesten lange reizen maken om bij Jeruzalem te komen. Dit werden kruistochten genoemd. Als de ridders niet hoefden te vechten, deden ze mee aan toernooien. In het begin werden toernooien alleen gehouden om te trainen voor de oorlog. Later werd er een heel spektakel van gemaakt. Er waren verschillende soorten toernooien. Het bekendste soort is wel het steekspel. In zo'n steekspel reden ridders te paard op elkaar af met een lans. De ridder die de ander uit het zadel kreeg, haalde het hoogst aantal punten. Naast al het vechten, hadden ridders nog andere taken. Zo moesten ze ook het landgoed van hun familie beheren, bevelen geven aan de boeren die er werkten, belasting innen, de boeren beschermen en onderlinge ruzies oplossen. Daarnaast deden de ridders vaak mee met de jacht. Hierbij reden ze op een paard met een kruisboog of een handboog. Een pijl die werd afgevuurd door een handboog, kon wel 300 meter ver komen!

 

Hoe werd je een ridder?

Je moest een jongen/man van adel zijn om ridder te worden. Ridder worden was namelijk heel duur. Je moest je eigen uitrusting betalen en een opleiding volgen. Vanaf je zevende werd je als page meegenomen naar een ander kasteel. Je leerde goede manieren en bediende je heer. De page kreeg onderwijs van de priester in het kasteel. Hij leerde er iets over geschiedenis, aardrijkskunde en godsdienst. Maar ook een beetje lezen en schrijven, zodat hij later zijn eigen naam kon herkennen en schrijven. Daarnaast moest hij huishoudelijke taken uitvoeren, werd gebruikt als loopjongen of deed schoonmaakwerk. Als je veertien jaar oud was werd je schildknaap. Als je schildknaap was moest je een ridder dienen en die overal mee helpen. Zo moest je helpen het harnas aan te trekken en de wapens schoonmaken. Daarnaast leerde je omgaan met verschillende wapens. Op je twintigste kon je tot ridder geslagen worden. De nacht daarvoor moest je de hele nacht bidden maar je mocht niet slapen. Daarna werd je met de platte kant van een zwaard tot ridder geslagen. De opleiding begon vroeg omdat men een ridderlijk karakter van de toekomstige ridders verwachten. Dit was namelijk: dapper en eervol zijn in de strijd, trouw aan God en zijn heer zijn, aardig tegenover zwakke mensen zijn, hen helpen en een vrouw met respect behandelen. Vroeger noemde ze ridders gewoon ruiters. Ridders waren toen soldaten die erg trouw waren aan hun heer of vorst. Ze moesten hem beloven altijd klaar te staan en hun meester te helpen in de strijd. Pas vanaf de twaalfde eeuw moesten de ridders zich aan strenge wetten houden, dat noemde ze erecodes. Deze codes werden gebruikt bij de jacht, gevechten en aan tafel. Als je ridders was, was het erg belangrijk dat je die codes serieus nam en gehoorzaamde. De eerste ridders waren in de tijd van de Middeleeuwen. Ze waren bijna altijd te paard.

 

Waar leefde een ridder?

Ridders leefden in kastelen. In zo’n kasteel moesten de bewoners veilig zijn tegen aanvallen van eventuele vijanden. Een kasteel werd gebouwd op een plek die moeilijk te bereiken was, bijvoorbeeld op een berg. In een kasteel woonden koningen, baronnen, ridders, bedienden en ander personeel. Het was voor de meeste bewoners geen pretje om er te wonen. Alleen de heer en zijn vrouw hadden een eigen kamer met open haard. Eten deed iedereen samen, maar het was heel weinig, vaak een stuk brood. De slotgrachten van kastelen werden gebruikt als verdediging tegen vijanden, maar er werd ook menselijk afval in gedumpt. Zo liepen menselijke uitwerpselen via een schacht naar een beerput of in de slotgracht. De beerput werd af en toe geleegd. De uitwerpselen werden dan gebruikt als mest op het platteland. Het hoorde bij de taak van de ridder om gasten te ontvangen en andere ridders, bedienden en werklui aan het werk te houden. Op de binnenplaats van het kasteel waren ridders, sergeanten en schildknapen vaak aan het oefenen voor hun strijd.

Maakte het uit of je een jongen of meisje was?

Als je ridder wilde worden moest je een jongen zijn. De vrouwen werden jonkvrouw als ze van adellijk bloed waren. Sommige vrouwen gingen mee op kruistocht. Ze zochten onder andere eten en kookten. Vrouwen van wie de man vermist raakte bij een kruistocht mocht hertrouwen. Er waren ook vrouwen die echt meevochten in de strijd. Een voorbeeld hiervan is Jeanne d'Arc. Zij versloeg de Engelsen toen zij Frankrijk binnenvielen.

Hoe zag een ridder eruit?

Maliënkolder en een plaatharnas

Als een ridder in een strijd was, droeg die een wapenuitrusting van staal, soms woog deze wel 25 kg! De eerste middeleeuwse ridders vochten in maliënkolders, die waren gemaakt van een heleboel ijzeren ringetjes. Die waren heel soepel, de ridders konden er makkelijk in bewegen. Onder een maliënkolder droegen ze een wambuis. Dit was een soort vest wat de meeste klappen van slagwapens opving. Het maliënkolder werd gebruikt als bescherming tegen pijlen en lansen. Vanaf de 13e eeuw werden er steeds meer stalen platen toegevoegd, die met gespen en riemen aan elkaar vast zaten. Aan het einde van de 15e eeuw werd het plaatsharnas over het hele lichaam gedragen. Dit was een goede bescherming tegen pijlen. Doordat de verschillende platen over elkaar heen bevestigd werden, konden de ridders nog wel het paard bestijgen. Ridders droegen ook verschillende wapens voor de strijd. Een ridder had altijd een dolk bij zich. Hiermee kon hij gevechten voeren op korte afstand, jagen en eten. Het bekendste wapen wat een ridder bij zich had, is het zwaard. Daarnaast kon een ridder ook een bijl, knots of strijdvlegel meenemen. Voor de verdediging droeg elke ridder een schild. Op zijn schild hadden ze een familiewapen staan, dat wordt ook wel heraldiek genoemd. Zo kon een ridder in een strijd herkennen wie bij wie hoorde. Een ridder gaf zijn heraldiek door aan zijn oudste zoon, daarom werd het een familiewapen. Die familiewapens verschenen op zegels van documenten en zijn zelfs nu nog te zien in zalen van kastelen en op middeleeuwse graven. Ridders reden vaak op paarden. Rijke ridders hadden soms wel drie verschillende paarden. Eén paard voor de strijd, één voor lange reizen en één voor het dragen van uitrusting.

Prinsessen/Jonkvrouwen

In de middeleeuwen kon je als meisje geen ridder worden. De meisjes bleven bij hun vader en moeder op het kasteel wonen. Van haar moeder leert het meisje alles wat een meisje in de riddertijd moet kunnen. Naaien, weven en borduren bijvoorbeeld.

Spinnen

In de riddertijd kon je niet even naar de winkel gaan voor een klosje garen of een bolletje wol. Je moest je draden zelf maken. Dat heette: spinnen. Voor het spinnen gebruikten de meisjes schapenwol.

Weven

Als je eenmaal draden had gesponnen, kon je er van alles mee doen. Je kon er mee borduren. Of je kon er lappen van weven op een weefgetouw. Van de lappen kon je dan weer kleren of kleden maken. Weven lijkt een beetje op vlechten. Als een meisje op het kasteel groter is moet ze het huishouden van het kasteel kunnen regelen. Ze moet zeggen wat de kok moet koken. Ze moet de dienstmeiden aan het werk zetten. Ze moet de voorraden bijhouden. Als er gasten komen, moet zij voor hen zorgen. Dat is veel werk. Daarom leert ze al jong hoe ze dat allemaal voor elkaar moet krijgen.

Leren

De meisjes die op een kasteel wonen krijgen ook les. Ze krijgen les van de monnik. De monnik leert het meisje lezen en schrijven. De kasteelvrouw leert haar dochter borduren en weven en hoe ze aan de huishouding leiding moet geven. Een meisje moet dit allemaal weten, zodat ze later ook een goede kasteelvrouw wordt.

Trouwen

In de riddertijd trouwden de meeste meisjes als ze 14 jaar waren. De familie regelde het huwelijk en het meisje kreeg een bruidsschat mee. Het was heel slim om als ridder een rijk meisje te trouwen. Al het geld wat het meisje later zou krijgen was direct ook voor jou.

Eten

In de riddertijd werd er heel anders gegeten dan nu. De borden waren van tin. Maar lang niet iedereen had een bord. Het was heel gewoon om samen van één bord te eten. Messen werden gebruikt om het vlees te snijden en in je mond te stoppen. De rest at je gewoon met je handen. Vorken bestonden nog niet. Schillen en botjes werden op de grond gegooid. En de pan werd schoongelikt door…de hond! Er werd altijd gegeten in de ridderzaal, de grote zaal van het kasteel. Het eten werd opgediend door dienaren en pages. Weet je nog? Dat waren die jongens die graag ridder wilde worden. Waar komt al dat eten vandaan? De kasteelheer is de baas over het kasteel, maar ook over het land rondom zijn kasteel. Op dit land wonen allemaal boeren. De boeren moeten de kasteelheer betalen voor het wonen op zijn land. Dat betalen doen ze met eten. De boeren zorgen ervoor dat de mensen die op het kasteel wonen genoeg te eten hebben. Zij werken er hard voor. In de riddertijd werd er geen melk gedronken. Cola, koffie en thee bestonden nog niet. Het water uit de put was verschrikkelijk vies en stonk. Dat water kon je dus beter niet drinken. Wat dronken de mensen dan? Er werd bier en wijn gedronken. Ook door kinderen.

THEMA

Tel: 0413-293010 Mob: 0613718900

W.O. Jeugd- en Gezinsvierdaagse

Heeswijk - Dinther